Geheugensteuntjes
gebruiken is een mnemotechnische techniek waardoor je efficiënter informatie kan
opslaan in het geheugen. Maar hoe komt het dat je hierdoor de informatie beter
kunt opslaan? Er bestaan verschillende
soorten geheugensteuntjes. Hieronder vindt u een lijst van enkele
soorten: sleutelwoordmethode, visualiseren, verbinden, verhaaltechniek,
plaatsmethode en taalmethode. Per soort staat er een voorbeeld en wordt de werking uitgelegd.
Sleutelwoordmethode Bij de sleutelwoordmethode breng je de feiten die je wilt leren in verband met zaken die je al weet. Dit doe je door begrippen te zoeken die je kan koppelen of associëren met het feit die je wilt onthouden.Deze techniek is gebaseerd op de constructivistische leertheorie. Hierbij linken leerlingen informatie aan reeds gekende informatie. Het feit dat je wilt onthouden, moet je associëren met zaken die je al kent. Hierdoor zal je zelf kapstokken maken, waaraan je de nieuwe informatie kunt ophangen. We moeten er altijd voor zorgen dat twee derden van de informatie niet meer nieuw is.Het geheugen slaat de informatie op via schema’s. Als jij nu zelf een schema ontwikkelt zal dit nog veel beter opneembaar zijn voor het geheugen.
|
VoorbeeldIn de
onderstaande figuur zie je een voorbeeld van de sleutelwoordmethode rond het
woord dieren.
Nog een
ander gekend voorbeeld is het maken van een mindmap. Hieronder zie je een
mindmap met als onderwerp ademhaling. Rond het woord ademhaling
zie je allemaal pijlen naar andere woorden die te maken hebben met ademhaling.
Het woord ademhaling wordt dus gekoppeld aan andere woorden zoals:
gaswisseling, luchtpijp, keelholte, longfunctie, …
Een mindmap
maken is voor sommige leerlingen een manier van leren. Door het maken van
die mindmap nemen ze de informatie makkelijker op in het geheugen. Een mindmap
is eigenlijk het visualiseren van je geheugenschema rond een bepaald onderwerp.
|
Verbeelden of visualisatie Sommige leerlingen die een bepaald woord of een feit beter willen onthouden, geven er meer betekenis aan door er zich iets bij te verbeelden. Dit komt omdat mensen heel visueel ingesteld zijn en beter kunnen onthouden via beelden. Als leerkracht kun je hierop inspelen door figuren en foto’s in de cursus op te nemen. Door je iets bij een bepaald feit te verbeelden, zal je dat op verschillende manieren opnemen. Je zal het feit horen, maar je zal het ook zien. De informatie komt dus via twee wegen binnen in het geheugen. De informatie die je hoort, zal je enkele keren herhalen in het werkgeheugen. Dit zal gebeuren door de phonological loop. Omdat je ook iets zal zien, of wel op een figuur ofwel door jezelf er iets bij te verbeelden, zal het feit in het kortetermijngeheugen ook op het visual sketschpad, of het visuele schetsblok worden opgeslagen. Het wordt dus in verschillende onderdelen van het geheugen opgeslagen.Dit kun je ook zien in de leerpiramide. Als je enkel de informatie hoort heb je maar 5% kans dat je dit zal onthouden. Als je dit enkel ziet, zal je er maar 10% van kunnen onthouden. Als je dit hoort en ziet, is dit 20% kans.
 |
Voorbeeld Stel dat je
in de lessen geschiedenis over het paard van Troje leert, zal je dit beter
kunnen onthouden als je je iets kan voorstellen bij dat paard.
|
Verbinden Als je meerdere feiten wilt onthouden, kan je deze met elkaar verbinden en associëren zodat ze in één keten passen. De feiten komen dus voor en na elkaar te staan in één lange rij.Door in een keten te denken, zal je eerst het ene feit onthouden. Uit dat ene feit zal een ander volgen en daaruit nog een ander. Door alle feiten te associëren met elkaar, zal er in het geheugen klassieke conditionering ontstaan.
|
VoorbeeldIn de volgende figuur zie je een
voorbeeld van verbinden. Je zet dus de feiten op een rij in een keten.
|
Verhaaltechniek Vlecht de meerdere feiten samen in één verhaal. Als je dat zelfbedachte verhaal kent, kan je uit dat verhaal alle feiten halen die je moet kennen. Door de informatie in een verhaal te gieten en vaak aan dat verhaal terug te denken, zal het gehele verhaal als het ware een soort herinnering vormen. Al heb je dat verhaal niet in werkelijkheid mee gemaakt, je zal het herinneren omdat je het zelf bedacht hebt.Het verhaal zal als het ware een herinnering zijn. Dit komt omdat je het zelf maakt en het zelf als ‘waar’ zal beschouwen. Het verhaal zal hierdoor worden opgeslagen in het langetermijngeheugen (het episodische geheugen).
|
VoorbeeldOp de
volgende ludieke figuur kun je zien hoe de stelling van Pythagoras in een
verhaal gegoten wordt. Voor de stelling van Pythagoras zal dit waarschijnlijk
niet de perfecte techniek zijn, maar het kan leerlingen wel helpen om
bijvoorbeeld zaken te onthouden bij geschiedenis.
|
Plaatsmethode Bij deze methode plaats je alle feiten die je moet kennen en wilt onthouden, in gedachten, in een bekende ruimte. Je koppelt dus het ene feit aan een ruimte en het ander aan nog een andere ruimte. Of anders gezegd je associeert informatie met een plaats in de ruimte.Net als bij de werking van associëren, sla je de informatie op in je geheugen via geheugenschema’s. Bij deze methode zal je in je geheugenschema informatie opslaan op een vaste plaats. Je hersenen zijn ook geconditioneerd, want je koppelt steevast de informatie met eenzelfde plaats.
|
VoorbeeldDeze techniek
is vooral heel handig voor het onthouden van een boodschappenlijstje. In je
hoofd wandel je door je huis, je komt in de badkamer, daar weet je dat je
shampoo, zeep en tandpasta nodig hebt. Als je dan verder loopt naar de
keuken weet je dat de melk op is. Zo kan
je alle zaken van op je boodschappenlijstje plaatsen in je huis. Maar ook
het omgekeerde kan werken. Je kan bijvoorbeeld de pot choco associëren in
de badkamer. De pot choco zal zeker opvallen en daardoor zal je dit zelfs nog beter onthouden dan in de keuken.
|
Taalmethode Door middel van taal andere feiten onthouden. Zo kun je een versje of een liedje maken over de zaken die je wilt onthouden. Zo hoef je enkel het versje of liedje te onthouden en kan je hierdoor de feiten reproduceren. Een ander element bij de taalmethode is een ezelsbruggetje. Een ezelsbruggetje is een middeltje waarbij je meerdere woorden of formules vervangt door een aantal woorden of een acroniem (=letterwoord). Dit wil zeggen dat je eigenlijk meerdere woorden vervangt door één woord of een korte samenhangende zin. De meeste geheugensteuntjes die je zal terug vinden zijn ezelsbruggetjes.Bij het versje of het liedje, zal je de informatie beter kunnen onthouden omdat je de informatie op een bepaald ritme zegt. Je hersenen slaan het ritme van het liedje op en de woorden komen dan praktisch van zelf. Ook is een liedje vanbuiten leren veel leuker dan een tekst, waardoor je het liedje veel meer zal herhalen. Hoe meer je iets herhaald, hoe beter je iets kunt. Bij het acroniem moet je maar één woord onthouden in plaats van een hele reeks. Dit is veel makkelijker, want je kan maar een beperkt aantal elementen opslaan in het kortetermijngeheugen. Één element in je kortetermijngeheugen opslaan is veel makkelijker dan bijvoorbeeld zes elementen.
|
VoorbeeldÉén van de
bekendste voorbeelden van een liedje, is het lied waarmee kinderen het alfabet
vanbuiten leren.
Een ander voorbeeld is een acroniem.
’t Kofschip
is een overbekende ezelsbrug om te weten of de onvoltooid verleden tijd en het
voltooid deelwoord van zwakke werkwoorden met een 'd' of een 't' worden geschreven.
Deze ezelsbrug is het letterwoord gevormd door alle klanken waarbij je een 't' moet schrijven. Als je dus een van deze letters hoort, weet je dat je een 't' moet noteren op het eind van het voltooid deelwoord.
|
|